Het dorpje Wieliczka, 10 kilometer ten zuid-oosten van Krakow, heeft meer “ondergrondse” toeristen dan gewone toeristen. De immense zoutmijn, onder de grond, trekt jaarlijks meer dan een miljoen toeristen per jaar. Het dorpje Wieliczka kenmerkt zich door veel grote parkeerplaatsen en natuurlijk is overal het toverwoord “zout”. Zoutige souvenirs zijn uiteraard te koop en dat alles voor prima prijzen.


Voor ruim 15 Euro koop je een entree-kaartje en als je ook nog eens fotos of een leuke video wilt maken betaal je tweeënhalve euro extra. Uiteraard mag je niet alleen de zoutmijn in en naast rondleidingen in het Pools wordt je hetzij in het Duits, Engels, Italiaans, Frans, Spaans of Russisch “gegidst”. We kozen voor het Duits en de ruim twee uur durende rondleiding over twee kilometer begon met een afdaling naar een diepte van 64 meter oftewel 380 treden te beginnen in het trappenhuis van de “Danilowicza” schacht.

Beter dan de Herestraat


Eenmaal aangekomen controleert de gids of daadwerkelijk iedereen onder aangekomen is en begint de twee kilometer lange wandeltocht door de zoutmijn. Mensen met claustrofobische neigingen hoeven niet bang te zijn. Het loopt plezierig en de paden in de zoutmijn zijn beter geplaveid dan de Herestraat. Soms loop je tussen het oude smalspoor: de rails van de zouttransporttrein in de mijn. Je hoeft niet echt bang te zijn je hoofd te stoten en de temperatuur is permanent 14 graden. Dat betekent dat bij een bezoek in de winter de winterjas te warm is en in de zomer de korte broek te koud is. Ook is het nergens donker, overal is licht en zelfs op het eindpunt kun je gewoon je mobiele telefoon gebruiken dankzij een ondergrondse gsm mast. Er zijn restaurants, een heus postkantoor, souvenirswinkels, WC ’s etc oftewel gewoon een “ondergrondse” stad.

 

Maddam Taussaud in het zout


Behalve “lessen” over de zoutwinning kom je ook overal in de historische, veelal Poolse, figuren in het zout tegen: standbeelden gemaakt van zout. Zo staat er een “zoutbeeld” van de astronoom Copernicus en natuurlijk van de Poolse Paus Johannes de tweede. Zijn beeld staat in een van de grootste kamers in de mijn: de St. Kingskapel. Deze imposante kapel bevindt zich op een diepte van 101 meter. En naast de Paus tref je er ook religieuze zoutschilderijen aan waaronder Jozef en Maria met de pasgeboren Jezus en de apostelen bij het avondmaal.

 


De St. Kingskapel is niet de enige religieuze plek langs de route, ook is er een kleinere kapel alwaar destijds de mijnwerker aan zijn religieuze verplichtingen kon voldoen.

Speciaal voor de jonge jeugd hebben ook de zeven dwergen van Sneeuwwitje een plekje gekregen en zelfs heeft de “draak” van Krakow, het symbool van de stad, een plekje langs de route.

 

 

Verwondering


Het zout zit overal. Houten konstruktie- en stutbalken in de mijn zijn doordrenkt met zout en zijn daardoor nog steviger geworden. Je likt met je vinger langs de muur en zout is je vinger. Overal groeien zoutkristallen aan de wanden en op sommige plekken groeien zoutstengels uit het plafond als mooie dunne zoutdraadjes alwaar menig deelnemer aan de zoutkristalgroeiwedstrijd jaloers op zou zijn. Na drie maanden groei worden ze afgeknipt, ze zouden kunnen vallen en bezoekers kunnen verwonden.

 


Was de weg naar beneden 380 treden, de weg omhoog vanaf 125 meter diepte gaat in ongeveer 45 seconden: de oude mijnlift brengt de bezoekers weer op het aardoppervlak. Behalve verwondering over al dat zout is er ook verwondering over de logistiek van de zout-attractie. Ze zijn prima ingericht op grote bezoekersstromen waarbij de lift omhoog, kwa capaciteit, het enigste knelpunt is.
Dit alles wordt ook beaamd door de nog jonge taxi-chauffeur die ons weer naar Krakow brengt. Het management van de mijn denkt na over een tweede uitgang aan de andere kant van het dorp. De bezoekers moeten dan terug, te voet, via het dorp en zo heeft ook het dorp wat aan zijn “onderaardse” toeristen.