Voor ons is zout heel normaal. Het is goedkoop en je haalt het gewoon bij de supermarkt. Vroeger was dit een heel ander verhaal. Zout wordt al eeuwenlang gebruikt, maar in Nederland was het een erg duur goedje!

 

 

Zout werd namelijk eerst uit het veen gehaald. Maar dit zorgde ervoor dat het veen uiteenviel en dat er overstromingen kwamen. Om te verkomen dat Nederland zou overstromen verbood de regering deze manier van zoutwinning.

 

Maar om niet zonder zout te komen zitten lieten de Nederlanders het zout uit andere landen komen zoals Bonaire of Spanje. Meestal gebeurde dit per schip. Het zout moest uit andere landen komen omdat er toen nog geen steenzout in Nederland was ontdekt.

 

 

 

 

 

In landen zoals Spanje en Bonaire kon er op een veel makkelijkere manier zout gewonnen worden. Zij maakten namelijk gebruik van zoutpannen. Dit wordt ook uitgelegd onder het kopje: Hoe krijgen we nu dat zout in handen?

 

 

 

 

Mensen vonden vroeger zout wel erg belangrijk. Het werd  namelijk gebruikt als conserveringsmiddel. Dit betekent dat het gebruikt werd om het eten langer houdbaar te maken. Zo kon je bijvoorbeeld vlees veel langer bewaren. Ook toen al gebruikten mensen het zout om hun eten lekkerder te laten smaken. Dus er was veel vraag naar zout terwijl er geen of weinig zout per schip binnenkwam. Dit zorgde ervoor dat het zout zo ontzettend duur was. Het kwam daarom eerst alleen bij de hele rijke mensen op tafel te staan.

 

 

Men gebruikte vroeger het zout ook als betaalmiddel. Romeinse soldaten kregen namelijk niet betaald met geld maar met een portie zout. Deze portie zout noemden ze ‘Salarium’ en daar komt ook ons woord salaris vandaan. Stel je eens voor dat je zout als zakgeld zou krijgen. Daar zou je vast niet veel voor kunnen kopen!

 

Pas aan het einde van de 19e eeuw werd per toeval ontdekt dat er in Nederlangd gewoon al die tijd zout in de grond zat: het steenzout.